02/06/2016
50 maanden Duitse Bezetting in Eeklo door Freddy Pille -
"Zoals de Duitse legerleiding in 1914 had gevreesd, raakte de bevoorrading van de troepen al snel in het slop. De gemakkelijkste uitweg was natuurlijk de tekorten aanvullen op de rug van de bevolking.
De gigantische opeisingsmachine die toen op gang kwam, steunde op drie pijlers. 1) Controleren van de voedselproductie en –distributie, met een tweeledig doel: de soldaten zo royaal mogelijk voeden, maar anderzijds ook de zwarte markt en de woekeraars bestrijden. 2) Toen de uitrusting van de soldaten hiaten en gebreken begon te vertonen, volgde beslag op een heel gamma gebruiksvoorwerpen en materialen: textiel, schoenen, ... 3) De bewapeningsindustrie ten slotte had al snel gebrek aan metalen (vooral ijzer en koper) en rubber. Voor munitie waren die metalen niet aan te slepen, en er werd dan ook tot in het waanzinnige jacht op gemaakt.
De procedure was stereotiep. Eerst moesten de Eeklonaars aangifte doen van hun voorraden, wat in het kreupele Nederlands van toen "stapelopname" heette. Meestal ging dit gepaard met een verbod op verkoop. De inbeslagneming gebeurde eerst administratief, met de ergerlijke verplichting het aangeslagene in goede conditie thuis ter beschikking te houden. De inleveringsdatum en –plaats volgden later, in enkele gevallen zelfs nooit ...
De bevoorrading van de troepen vanuit Duitsland verliep met de dag moeilijker, zodat de opgeëiste producten groeiden in aantal en verscheidenheid. Ongeveer alles moest ingeleverd worden: pantoffels, maandverbanden, voorschoten, uithangborden, brandnetels ... Voor al deze zaken moesten verzamelpunten en –diensten voorzien worden, plus werkplaatsen die de gewenste stoffen uit alle objecten haalden en verwerkten.
In het laatste oorlogsjaar was de materiaalschaarste zo groot dat ronduit anti-productieve beslissingen werden genomen. Fabrieken moesten bijvoorbeeld alle wisselstukken inleveren. Bij het minste ernstige defect vielen machines dus definitief uit.
De inbeslagneming van de meeste voedingsmiddelen en oogsten waren uiteraard van een andere orde: zij waren in principe bestemd voor het Voedingskomiteit, dat instond voor een billijke verdeling onder de Eeklonaars. Maar iedereen wist dat de overdracht pas gebeurde nadat het leger erin had gegraaid, een stevig argument om het niet te nauw te nemen met de voorschriften. Oogsten controleren is een zeer arbeidsintensieve taak, waarvoor personeel ontbrak. Veel werd dus achtergehouden voor eigen gebruik of de zwarte markt.
AEGIDI PROFITEERT MEE
Naast de "nationale" opeisingen van de hogere legerleiding werd Eeklo nog extra geteisterd door de Requisitionsscheine (opeisingsbiljetten) van Kommandant Aegidi. Die ging ervan uit dat de stad het zijn gasten zo aangenaam mogelijk moest maken, en schoof dus alle mogelijke vragen en taken door. Had hij iets te kort in zijn diensten, was er ergens een defect of wilde hij zijn gasten een maaltijd aanbieden, dan stak binnen de kortste keren een bode de Markt over, die zo'n biljet op het stadhuis deponeerde. Het schepencollege moest dan maar uitzoeken wie voor de opdracht of de levering aangesproken kon worden, meestal onmiddellijk of binnen de vierentwintig uur.
Als "gastheer" mocht Eeklo opdraaien voor de accommodatie van de honderden soldaten die in de stad gelegerd waren, plus voor wat sommige doortrekkende troepen toevallig nodig hadden. Voor de huizen die de Duitsers hadden ingepalmd, kregen de eigenaars een huurvergoeding, maar dan wel uit de stadskas.
Kwaad bloed zetten vooral de buitensporige eisen voor het Erholungsheim, de verpleeginstelling voor gewonde Duitse soldaten die in Ten Doorn was geïnstalleerd: alles wat geleverd werd moest van de hoogste kwaliteit zijn – en dat terwijl de bevolking honger leed ...
Deze biljetten vullen in het Stadsarchief zes dozen: het moeten er zo'n vijftienduizend zijn, of gemiddeld een tiental per dag. Een paar personeelsleden waren daar de hele dag mee in de weer, niet alleen om bereidwillige leveranciers te vinden, maar ook om hun vergoeding te regelen.
De rekening van de lokale opeisingen oogt indrukwekkend. Eind 1915 was deze uitgavenpost opgelopen tot 990.000 frank, meer dan vier vóóroorlogse jaarbudgetten. Waarschijnlijk zaten daar torenhoge uitgaven aan aanpassingswerken van de accommodaties in, want voor 1916 werd een ongewoon lage 96.000 frank in rekening gebracht. In het jaarverslag 1919, dat waarschijnlijk betrekking had op 1917 én '18, werd de post afgesloten op 173.000 frank, plus nog eens 42.000 voor het gasverbruik van de blijkbaar kouwelijke soldaten. Aegidi en zijn opvolgers hadden het echter nog bonter gemaakt: de Kommandantur kostte de stad in diezelfde periode 355.679 frank!
In principe werd een deel van die uitgaven aan de stad terugbetaald via de Zahlstelle. Als dat al gebeurde, gingen er echter vele maanden overheen eer het geld in Eeklo arriveerde. Voor de zware opeisingen in de laatste oorlogsmaanden bleven de Eeklonaars dus met hun ontvangstbewijzen zitten ...
PAARDEN
In de Eerste Wereldoorlog waren gemotoriseerde voertuigen (pantsers, vrachtwagens) nog maar beperkt beschikbaar. Het zwaartepunt van elk leger vormde de artillerie, die grotendeels met paarden werd verplaatst. De legers telden nog heel wat regimenten te paard, en de dieren werden ook intens gebruikt voor transporten achter en naar de frontlinie.
Al vrij snel liepen de verliezen aan dieren hoog op. Geen wonder dat de Duitsers hun oog lieten vallen op de paarden in de bezette gebieden. In Eeklo resulteerde dat al op 5 januari 1915 in de eerste schouwing. Alle paarden-bezitters werden gedwongen met hun dieren naar de Boelare te komen, waar ze door militaire veeartsen gekeurd werden. Opgeëist werd er nog niet, maar de eigenaars van geschikt bevonden paarden kregen het verbod opgelegd ze aan derden te verkopen. In mei 1915 moesten de eerste landbouwers hun dieren afstaan, met de schamele troost dat ze contant betaald werden – natuurlijk volgens de schatting van de Duitsers.
Het systeem werd al snel uitgebreid. In april 1916 moesten ook de bezitters uit Merendree, Bellem, Sint-Jan-in-Eremo, Kaprijke en Oostwinkel zich in de Boelare aanmelden, en naarmate de oorlog vorderde groeide dat aantal gemeenten aan tot achttien, zowat het hele Meetjesland. Ook de frequentie nam toe: waren er in 1916 maar drie schouwingen, het jaar daarop werden er dat acht, soms twee per maand. De laatste schouwing gebeurde eind september 1917. Wellicht waren toen nauwelijks nog bruikbare dieren te vinden.
Parallel met de opeisingen hielden de Duitsers ook de veestapel in wording in het oog. Er kwamen strenge controles op veulens en dekhengsten, wat uiteindelijk leidde tot de invoering van steekkaarten per dier, door de bezitters bij te houden. Over het aantal paarden dat richting Duitse leger verdween zijn geen cijfers voorhanden. Dat het om grote aantallen gaat, bewijst de oproep van 3 maart 1916 – nog in de eerste fase van de opeisingen, waarin sprake is van "alle nog in Eecloo voorhandene paarden".
Bij de bevolking wakkerden deze opeisingen de haat tegenover Duitsland enorm aan. De eigenaars beseften heel goed dat hun dieren ingezet werden tegen hun eigen familieleden en kennissen die aan de IJzer streden, en dat ze hoogstwaarschijnlijk op een ellendige manier aan hun einde zouden komen.
Bovendien moet ook de invloed op de voedselvoorziening ingrijpend zijn geweest: zonder paarden kon bijvoorbeeld nauwelijks geploegd worden, en sinds de mobilisatie van 1939 zaten de beste werkkrachten onder de wapens. Het voedseltekort zou een belangrijke factor worden in de ineenstorting van het Duitse leger. De opeisingen in hun voordeel werkten dus ironisch genoeg hun ondergang in de hand.
MISBRUIKEN
Wegens de al vermelde ontoereikende voorraden van het Duitse leger lagen opeisingen van metalen, rubber e.d. in de lijn van de verwachtingen. Maar heel wat militairen, de officieren voorop, probeerden van hun machtspositie gebruik te maken om hun verblijf in ons land in comfort en luxe door te brengen.
De toon werd al in januari 1915 gezet door de Kommandantur Gent, die van het etappegebied Eeklo zestigduizend flessen wijn eiste. De wijnhandelaars profiteerden van het gebrek aan kennis en smaak van de Duitsers en leverden tweede keuze ... Er zouden nog tenminste vier (gelukkig kleinschaliger) bevelen van die aard volgen.
In augustus 1917 bleek de bezetter al ervaring te hebben opgedaan, want nu eiste hij specifiek bordeaux- en bourgognewijnen, en verder alles uit het Middellandse-Zeegebied. Zelfs eind juli 1918, toen de ineenstorting zich al duidelijk aftekende, probeerde hij nog wat extra flessen te bemachtigen.
Via de leveranciers en het bedienend personeel wisten de Eeklonaars maar al te goed hoe de officieren zich te buiten gingen. De feestjes in De Groenen Boomgaard of De Gouden Leeuw waren voor de hongerige magen natuurlijk olie op het vuur.
Maar de begerigheid had niet alleen te maken met lekker eten en drinken, er zat onder de opgeëiste zaken heel wat dat weinig met militaire activiteiten te maken had. Wat te denken bijvoorbeeld van zijde (maart 1915), kurken (februari 1917), tapijten (augustus 1917), rietmatten (september 1917), hoeden en voetkussens (februari 1918)?
Natuurlijk leidde de schaarste binnen de Duitse rangen tot ongewone opeisingen. Van de brandnetels (augustus 1917) werd wel neteldoek gemaakt, het paardenhaar (december 1917) werd verwerkt in stoffen en de klompen (mei 1918) moesten doodgewoon het gebrek aan schoeisel voor de soldaten opvangen.
In de voor de Duitsers rampzalige laatste maand gingen alle remmen los. Eeklo kwam op 4 oktober 1918 in het Operationsgebiet (de gevechtszone) te liggen, waarop de leger-leiding zichzelf eigenaar verklaarde van alle vee en paarden, en zich ook het recht toe-eigende al het voedsel op te eisen. De terugtocht diende echter sneller te gebeuren dan verwacht, zodat grootschalige confrontaties op dit punt uitbleven."